Het Hollandsche Veld

Het veenkoloniale landschap van Het Hollandsche Veld is het resultaat van een eeuwenlange wisselwerking tussen natuur en mens. De ijstijden vormden de ondergrond en de planmatige vervening legde een strak ontginningspatroon vast, dat later werd 'verzacht' door bos, landbouw en bewoning. Ondanks de grote ingrepen hierin in de laatste 70 jaren, is de historische structuur nog goed herkenbaar. Het landschap vertelt het verhaal van ijstijden, turfwinning en vooruitgang.

Het Hollandsche Veld ligt op een zuidwestelijke uitloper van het Drents Plateau, ten zuidoosten van Hoogeveen. Het strekt zich uit van het Kruis in het centrum van Hoogeveen tot aan de grens met Overijssel. Landschappelijk gezien zijn in het gebied in 4 landschap types te onderscheiden:

  • In het midden ligt het unieke veenbosgebied Schoonhoven dat wordt gekenmerkt door diep uitgegraven wijken en 'rafelige' randen met kleine weilandjes.

  • In het westen ligt op de lagere gronden een nat veenweide gebied met de dorpen Alteveer en Kerkenveld. Daar bevindt zich ook de overgang van hoog- naar laagveen. De Trekgatenweg verwijst daar nog naar.

  • Ten oosten liggen de grootschalige landbouwgronden van Nieuwlande waar eind 19e eeuw Groningse boeren veel land hebben aangekocht om al hun kinderen te kunnen laten boeren. De woningen van enkele boerderijen stralen dat nog uit. 

  • In het noorden, vooral bij Noordscheschut en in het zuiden bij Elim wordt het landschap gekenmerkt door kleinschalige landbouwgebiedjes, deels van hobbyboeren, en met veel particuliere bewoning in de buitengebieden.

Gevormd door de ijstijden 

De ondergrond van Het Hollandsche Veld is gevormd in de ijstijden, met keileem en dekzand afzettingen en een zwak golvend reliëf tot zo'n 4 meter hoogteverschil dat in het landschap nog goed 'leesbaar' is. Zeker als je eerst op een hoogtekaart hebt gekeken.

Na de laatste ijstijd begon zo'n 11.000 jaar geleden het klimaat weer op te warmen en begonnen er weer planten te groeien, voornamelijk grassen en laag struikgewas, dat uitgebreide steppen vormden, Dat trok groot wild aan met de mens in hun sporen. Er was geen vaste bewoning; het gebied werd bezocht door jagers en verzamelaars.
 

Een paar duizend jaar later verschenen ook de 'waaibomen' zoals wilg en berk, en rond 9.000 geleden aangevuld met hardhout bomen zoals eik en linde. De zo ontstane oerbossen worden wel het Atlantische Woud genoemd, dat zelfs subtropisch van temperatuur was. Hier zijn fossielen van moerasschilpadden gevonden, die nu alleen in warmere streken leven.

             Wateroverlast door smeltende gletsjers

Waar hebben wij dat eerder gehoord? Door het verder afsmelten van de gletsjers in noordelijk Europa stegen zo'n 6.000 jaar geleden de zee- en grondwater spiegels enorm en ontstonden er gigantische ontoegankelijke moerasgebieden doordat het regenwater nog nauwelijks kon afstromen. De moerassen bestonden grotendeels uit veenmos, struikheide en berkenopslag. In de laagste gebieden daarvan ontwikkelde zich zo een dik pakket hoogveen, doordat afgestorven begroeiing onder water lag en afgesloten van zuurstof niet kon verteren. Dit moeraslandschap was lange tijd onbewoond. Alleen omwonende volken wisten hun weg te vinden over de op de hoger gelegen keileem en dekzandruggen gelegen 'veenbruggen'. Deze natuurlijke omstandigheden vormden de basis voor de latere veenkoloniale ontginning.

Begin van de vervening


De veenontginning begon eind 16e eeuw op kleine schaal, voornamelijk voor eigen gebruik van de turf als brandstof. Vanaf de 17e (gouden) eeuw kwam het veengebied vanwege de uitdijende steden in beeld in Holland. De lokale bossen waren daar toen al opgestookt. De hier wonende edelman Roelof van Echten studeerde rond 1620 in Leiden en kwam op het idee hun Echter Groote Veenen te gaan afgraven.Met geld van investeerders uit voornamelijk Leiden werd in 1631 de Compagnie van 5000 Morgen opgericht. Met dat geld werden met de hand vaarten, wijken en zwetsloten gegraven. In eerste instantie om de moerassen te kunnen droogleggen zodat het veen planmatig en strooksgewijs 'aan snee' afgraven kon gaan worden. En na droging konden de turfjes met bokken en pramen over de aangelegde Hoogeveensche Vaart en de Zuiderzee worden vervoerd naar het westen. 
Hierdoor ontstond een sterk west-oost lijnenlandschap, een blauw groene dooradering van het landschap met daarlangs tijdelijke nederzettingen van turfgravers.
Enkele jaren later werden volgens plan grote delen van het veen verkocht aan (lokale) compagnieën en boeren, waaronder de Algemene Hollandsche Compagnie waaraan het landschap en veel later ook het dorp Hollandscheveld hun naam aan zouden ontlenen.


Boekweitteelt, zegen vloek of toch een zegen?

Bij de eerdere kleine verveningen werd door de boeren van het westelijk gelegen Ten Arlo en Steenbergen al boekweit verbouwd. Dit van oorsprong Aziatisch graangewas bleek het goed te doen op de zure grond, zeker als de lage begroeiing van grassen en struiken eerst werden verbrand. 

Boekweit was en is zeer voedzaam en geschikt voor het maken van pap en het bakken van pannenkoeken. Bovendien is boekweit een goede drachtplant waar bijen veel honing op haalden, wat dankbaar in de pap werd gedaan en over de pannenkoeken werd gesmeerd. Rietsuiker was immers te duur en bietsuiker was nog niet 'uitgevonden'. 

De boekweitteelt ging de vervening vooruit. Door het toenemend aantal veenarbeiders was veel boekweit nodig, reden waarom jaren na elkaar boekweit op dezelfde percelen boekweit werd geteeld, totdat daarop de vervening begon. 

Het was toen al gebruikelijk om voor de vervening de uit humus en losse turf bestaande bovenlaag apart te leggen om die na de vervening door de overblijvende zandlaag te mengen en zodoende de grond geschikt te maken voor landbouw. Maar door 


de intensieve boekweitteelt was die bovenlaag echter al zo uitgeput, dat er geen landbouw meer mogelijk was. En omdat dierenmest maar op heel kleine schaal beschikbaar was, de meeste boeren hadden maar een enkele koe of een paar geiten of schapen, en ook kunstmest nog niet bestond, liet men de grond daarom braak liggen. Die veranderde daarna in heide waarop de geiten en schapen konden grazen. En waarop ook bijen heerlijke honing verzamelden. In de loop der tijd trad verbossing op en veranderde de heide loofbossen bestaande uit wilg, berk en els.

Bij de latere veenontginningen ten oosten van ons landschap had men de lessen van het Hollandsche Veld geleerd. En wat inmiddels ook al wettelijk was vastgelegd. De boekweitteelt werd daar veel minder intensief uitgevoerd, zodat er vruchtbare landbouwgrond overbleef waar graan en aardappelen kon worden verbouw.
Maar nu voor ons toch een zegen omdat zonder deze desastreuze boekweitteelt het bosgebied Schoonhoven nooit had kunnen ontstaan. 

Armoedige sociale omstandigheden.

In tegenstelling tot andere veenkoloniën ontwikkelde Het Hollandsche Veld zich niet tot een grootschalige open agrarische veenkolonie. Het landschap kreeg hierdoor een veel beslotener karakter dan de later ontwikkelde veenkoloniën ten oosten van Het Hollandsche Veld.

Na een periode van duizenden jaren van een woeste en ondoordringbare moerasgebied ontstond hier pas in de 16e eeuw bewoning. Aanvankelijk was de bewoning relatief verspreid en kleinschalig. De hier naartoe verhuisde veenarbeiders en de seizoenarbeiders woonden in zeer eenvoudige plaggenhutten die met lokaal gevonden materialen langs de wijken werden gebouwd.

In de plaggenhutten werd voornamelijk gekookt en geslapen. Dat was alles wat men toen deed naast de lange werkdagen van vaak wel 12 uur deed. En soms moest men ook nog 1-2 uur naar het werk lopen en weer terug. De arbeiders verhuisden daarom de vervening achterna. 

De hutten waren bedompt, vochtig, zeker als er werd gestookt. De voedzame en de makkelijk te eten boekweit pap en -pannenkoeken hielden de veenarbeiders op de been, al was het wel eenzijdig eten waardoor bepaalde voedingsstoffen ontbraken, wat de weerstand niet ten goede kwam. Infectieziektes waren aan de orde van de dag en eisten veel levens. Ook de kindersterfte was hoog; twee derde van de kinderen werd niet ouder dan 12 jaar.  . Omstandigheden die in de gezondheid van de huidige bewoners van ons gebied nog zijn terug te vinden. 

Het was een zwaar  bestaan dat bovendien zwaar werd onderbetaald.ag. Uiteindelijk werden alleen de veenbazen er beter van. Doordat er nog geen infrastructuur van dorpen was ontstaan, zorgden de verveners ook voor etenswaar, kleding en huisraad.  De aankopen werden vaak door deze gedwongen winkelnering gewoonweg ingehouden op de lonen. De met de laatste centen gekochte jenever bracht daarbij zowel verlichting als extra armoede en ellende.

Dorpen als Noordscheschut, Hollandscheveld, Elim en Nieuwlande ontstonden pas later, nadat het veen daar al was afgegraven en er andere bestaansvormen ontstonden zoals kleinschalig landbouw. 

De reuze zwerfkei aan de rand van de Beukerswijk. Die was waarschijnlijk te zwaar om te kunnen vervoeren.
De reuze zwerfkei aan de rand van de Beukerswijk. Die was waarschijnlijk te zwaar om te kunnen vervoeren.


Zwerfkeien, pingo ruïnes en uitblazingskommen

De ijstijd heeft in het landschap veel herkenbare zaken nagelaten. De bekendste zijn de zwerf- of veldkeien die men overal in het gebied bij erven en op hoeken van wegen en paden ziet liggen. Die keien zijn met de gletsjers uit Scandinavië meegevoerd en onderweg vaak mooi afgeschuurd waarbij ook het keileem ontstond.

Pingo ruïnes

Andere relikwieën uit het de ijstijden zijn pingo ruïnes en uitblazingskommen, die vaak nog goed zichtbaar zijn in het landschap.

In het begin van de opwarming van het klimaat ontstonden door het weer bevriezen van het smeltwater grote ijsbollen (lenzen) van vaak meerdere tientallen meters doorsnee. Die ijslenzen lagen half onder de grond en half erboven lagen, afgedekt met aarde die omhoog werd gedrukt. Toen uiteindelijk de lens helemaal was gesmolten ontstonden meertjes van soms wel 25 meter diep. Die groeiden in de periodes daarna dicht en vulden zich uiteindelijk met veen.

Uitblazingskommen daarentegen zijn in dezelfde periode ontstaan toen alle gletsjers al waren gesmolten maar de aarde nog volledig was bevroren (permafrost). De ijzige noordwesten wind blies op bepaalde plekken het zand weg en vormde een zandheuvel. Op een hoogtekaart zien een pingo ruïne en een uitblazingskom er ongeveer hetzelfde eruit. Pas als je gaat boren en dan na ongeveer 1 meter nog geen veen tegenkomt, dan is er sprake van een uitblazingskom.
Er is tot nu toe in Het Hollandsche Veld maar één pingoruïne vastgesteld. Die ligt de hoek Hollandschedijk / Riegshoogtendijk, net ten zuiden van het nieuwe industrieterrein.. De werkgroep Cultuurhistorie gaan nog een aantal locaties in Het Hollandsche Veld onderzoeken.

Bosbouw

Op de lagere gebieden bleef na de vervening een arme en natte ondergrond achter. Deze gronden was maar beperkt geschikt voor landbouw, waardoor alleen bosbouw overbleef. En ook op de hoogste gebieden, waar de veenlaag het dunst was en vaak niet rendabel genoeg om af te graven, bleek de zure grond landbouw ook niet erg geschikt voor landbouw. De onderliggende gedachte van de bosbouw was om zo een humuslaag te vormen waarop na het rooien van het bos de grond wel voor landbouw mogelijk was. Zo kon uiteindelijk het huidige bosgebied Schoonhoven ontstaan.

Na het eerste natuurlijke ontstaan van het bosgebied, is men daar later vooral eikenhakhout bossen gaan aanleggen. Daarvoor werden eerst dwars op de wijken en zwetsloten bonkslootjes gegraven om te voorkomen dat de aanplant zou verrotten. Dat was toen erg nodig. Nu worden de bonksloten afgedamd of dichtgegooid om het water te kunnen vasthouden. Het kan verkeren.
Het eikenhout werd om de zoveel jaar geoogst voor geriefhout, zoals voor balkjes, palen en brandhout. Ook werden de eiken geschild om er eek uit te halen dat nodig was om elders koeienhuiden te looien.
De bosaanplant gaf Het Hollandsche Veld een uniek karakter binnen de veenkoloniale landschappen: bos en de veenontginning structuren raakten met elkaar verweven. Wat resteert is een bosgebied met veel oudere bomen 'doorzegen' van haffdichte veenwijken met steile oevers en bonkslootjes. 
 

Later, bij de start van de kolenmijnen, werden er veel dennen geplant voor balken om de mijnschachten te stutten. Omdat vurenhout eerst veel kraakt voordat het doorbreekt, was dit hiervoor zeer geschikt.

Begin 20e eeuw was dit bosgebied het grootste van heel Drenthe. Vanaf die tijd zijn veel bospercelen gerooid en en als akkers en weiland in gebruik genomen. Rond 1960 was er nog maar 30% van over.
Na het sluiten van de mijnen werd voornamelijk nog fijnspar aangeplant voor de houtindustrie. Door de verzuring en verdroging als gevolg van de klimaatveranderingen zijn die vanwege de aantasting door de letterzetter inmiddels grotendeels gerooid en wordt het bosgebied Schoonhoven langzaamaan omgevormd tot een gemengd bos waar de houtproductie ondergeschikt raakt aan de natuurfunctie.
Mede door de (Europese) subsidies zijn er de laatste 10 jaar weer tientallen hectares bos aangeplant op voormalige landbouwpercelen. En het lijkt dat deze goede ontwikkeling nog een tijdje doorgaat.

Ontstaan van veendorpen en de eerste industrialisatie

Pas na de vervening ontstonden, vaak op knooppunten van vaarten en wijken, woongemeenschappen. In eerste instantie was dat lintbebouwing langs vaarten en wegen met kleine boerderijtjes en arbeiderswoningen en werk dat nog sterk verweven was met de veenontginning, bosbouw en beginnende landbouw.

Bij de woningen had men bijna altijd een stuk grond waarop voedsel voornamelijk voor eigen gebruik werd verbouwd, soms ook met een enkele koe en wat geiten en schapen. Op de wat grotere percelen werden ook gewassen die goed houdbaar waren zoals aardappelen en (bruine) bonen geteeld die aan andere bewoners en later ook aan de conservenindustrie werden verkocht.

Naast ontginning werk ontwikkelden zich meer andere beroepen zoals bijvoorbeeld winkelier, smid, timmerman en schipper die zich vooral op de lokale klanten richtten. 

Op de betere landbouwgronden, vooral ten oosten van het Hollandsche Veld, werden op grote schaal graan en (fabrieks)aardappels verbouwd, zoals in noordoost Groningen. De verwerking ervan in zetmeel en strokarton zorgde voor nodige werkgelegenheid voor de toenemende beroepsbevolking.

Door de grote beschikbaarheid van arbeiders werd hier begin 20e eeuw flink geïnvesteerd in maakindustrie. In het verlengde van de scheepswerven ontstonden er metaal en textiel verwerkende fabrieken. En er werden een zuivelfabriek (nu DOC), een conservenfabriek (Lucas Aarden) en in het verlengde daarvan de conservenblikken fabriek van Drenthine  gebouwd om de landbouwproducten ook lokaal te kunnen verwerken.  

Een veranderend landschap door de 2e industrialisatiegolf.

In het midden van de 20e eeuw veranderde het landschap opnieuw ingrijpend. Door de opkomst van auto's werden veel wijken voor de aanleg van wegen en toegangspaden gedempt en concentreerde de woningbouw zich meer in de kernen van de dorpen. Door de grote beschikbaarheid van arbeiders werd hier flink geïnvesteerd in maakindustrie, voor producten van metaal en textiel zoals scheepsbouw, conservenblikken en matrassen. Later vestigden ook grotere concerns zoals Philips, Fokker en Standard Electric hier fabrieken.
Door het breder beschikbaar komen van kunstmest en betere drainage van de lagere gronden werden voor de uitbreidende landbouw in de buitengebieden veel wijken gedempt. Vaak met grond van dubieuze kwaliteit. Het historische lijnenspel bleef grotendeels gehandhaafd. De richting van onze straten volgen nog vaak het oude veenkoloniale patroon.

De functie van de vaarten en wijken werd echter steeds minder omdat het vervoer voortaan over de weg ging. Het nut was alleen nog de afwatering. Het onderhoud ervan was niet meer nodig zodat ze dichtgroeiden, werden versmald tot sloten of door de schaalvergroting in de landbouw gedempt. 

Uniek kleinschalig veenlandschap

Het huidige landschap is het resultaat van een langdurig samenspel tussen natuurlijke processen en grootschalige menselijke ingrepen, met name in de periode van de vervening. Het Hollandsche Veld vertegenwoordigt daarin een bijzonder type veenkoloniaal landschap waarin de gevolgen van vervening, bosbouw en landbouw landschappelijke aanpassing duidelijk zichtbaar zijn.

De combinatie van de west-oost veenontginning lijnen, de bosaanplant en verspreide bewoning, vooral in het noorden en het zuiden, geeft het gebied een hoge cultuurhistorische waarde. Het Hollandsche Veld is geen groots en open veenkolonielandschap, maar een intiem, kleinschalig en bosrijk veenontginning gebied. Dit in contrast met de grootschalige veenkoloniale open landschappen ten oosten van Hoogeveen. De ontstane veendorpen hebben nog maar een korte historie; de oudste woningen zijn niet veel ouder dan 100 jaar. Het veenkoloniale landschap Het Hollandsche Veld heeft hierdoor een hoge cultuurhistorische waarde en het lijnenspel  is een belangrijk onderdeel van de identiteit ervan. 

Het landschap biedt nog veel aanknopingspunten voor behoud en versterking van de historische ontginning structuren van wijken en zwetsloten. Wij moeten zorgvuldig omgaan met de bosgebieden en open ruimten als dragers van het veenkoloniale karakter. Dat zijn dan ook belangrijke doelstellingen van de stichting Het Landschap van de Toekomst.

Daarnaast heeft ook het unieke bosgebied Schoonhoven onze aandacht. Het heeft veel te lijden van de klimaatveranderingen en de ontwikkelingen in de landbouw. Door de grondlagen van ondoordringbare keileem en hoge dekzandlagen, de verdere verzuring op de toch al zure veengrond door de stikstofuitstoot, de klimaatinvloeden met meer extreme droogten en regenval in combinatie met de lage  waterpeilen voor de landbouw, is het grondwaterpeil veel te laag. Daardoor kunnen de bomen 's zomers daar bijna niet meer bijkomen. En nog erger, daardoor kan zelfs aluminium vergiftiging  ontstaan waar geen enkele plant tegen bestand is..